Kamperen in Frankrijk

31. jul, 2018

Vorig jaar kampeerden wij vlak boven de Pyreneeën, en we wilden toen in elk geval een dagje naar Figueres in Spanje gaan voor een bezoek aan het Dalí Museum. Het jaar daarvoor waren we een week in de buurt van Barcelona, maar hadden uiteindelijk geen tijd meer voor Figueres. We namen ons voor om het deze keer niet te laten schieten. De tickets waren al online gekocht: op zaterdag 27 mei, om 11.00 uur precies, moesten we ons melden bij de kassa.

De relatief korte afstand van Argelès-Plage naar Figueres was snel afgelegd. We hadden besloten om, voor de zekerheid, op de heenreis de tolweg te nemen. De “route pittoresque”, kronkelend langs de kust, bewaarden we voor de terugweg. Eenmaal in Spanje kwam Figueres snel in zicht. Het was een hete dag: het was alsof we de blauwe lucht zagen trillen boven de stad. En uiteraard waren er wegwerkzaamheden in Figueres. Doordat we zo goed op de borden moesten letten, misten we net de afslag die we volgens de tomtom moesten nemen. Onder het voortdurend herhaalde “Keer om” van onze gids Bram moesten we eerst een hele tijd rechtdoor rijden. Toen we op een groot, groen plein met palmbomen kwamen, sloegen we op goed geluk drie maal rechtsaf en ja hoor: we zaten weer op de goede weg. Al gauw konden we alsnog de afslag nemen, en we begrepen ook hoe we hem hadden kunnen missen, want het was meer een gat in de huizenrij dan een duidelijke zijstraat. Dat het de goede afslag was, zagen we direct: even verderop stonden de rode muren van het museum met de geelwitte reuzeneieren op het dak.

Eerst maar even parkeren, dachten we, toen nog niet wetend dat we hierbij ruim voor ons bezoek aan het museum al een buitengewoon surrealistische ervaring zouden hebben. De parkeergarage doemde nog geen honderd meter voorbij het museum op aan onze linkerhand. Meteen naar binnen dus. Voorbij de slagboom zagen we dat we niet de eersten waren: het stond er al behoorlijk vol met auto’s, voorzien van nummerborden uit de halve EU. Na een eerste rondje zagen we toch al een plaatsje! Enthousiast reden we de auto erin, om vervolgens tot de ontdekking te komen, dat we noch het rechter- noch het linkerportier konden openen. Links stond een andere auto -keurig binnen de lijnen- en rechts stond een hek. Misschien een parkeerplek voor zo’n klein invalidenautootje? De enige optie was de banken omlaag klappen en naar buiten via de vijfde deur, maar dat was ons toch nog een brug te ver. Nog los van het feit dat de kofferbak helemaal vol met kampeertroep lag.

De auto dus in z’n achteruit, en een nieuw plekje zoeken. Tijdens onze zoektocht zagen we nog meer auto’s op mini-plaatsjes staan. We vroegen ons uiteraard af hoe de mensen er uit waren gekomen. Of misschien hadden Spaanse auto’s een afstandsbediening voor het parkeren? Gelukkig zagen we een stukje verderop nog een parkeermogelijkheid: langs één van de zijkanten van de garage kon je ook nog achter elkaar parkeren. Het was wel een héél smal strookje, pal tegen de buitenwand aan, dus ik ging er alvast maar uit om Annelies (die reed) te laten parkeren. Het ging, maar het ging nèt, zelfs met ingeklapte spiegels. Vervolgens zagen we tot onze schrik ook ineens nog een enorme plas water onder de auto liggen, maar dat bleek achteraf gewoon te komen doordat de airco het even heel erg druk had gehad in de oververhitte garage.

Toen we naar de uitgang liepen, zagen we meerdere automobilisten allerlei capriolen uithalen om hun voertuig te parkeren en vervolgens te verlaten. Ook op ons eerste plekje stond weer een auto, maar wel met de mensen er nog in. We waren héél blij dat wij dit achter de rug hadden en gingen (het was nog ruim voor elven) eerst maar eens een heerlijk en welverdiend kopje koffie drinken op het plein naast het museum.

O ja, het museum! Ik zou het bijna vergeten, maar dat was zéér de moeite waard. Een aanrader, en niet alleen voor liefhebbers van Salvador Dalí. Het omvat alle mogelijke soorten kunst en is gebouwd in een oud theater. Het is dan ook eigenlijk één grote theatershow. Wel druk bezocht, trouwens – we begrepen waarom er een tijdslot was ingesteld bij de kaartverkoop. En tussen al deze verrassend, bizarre en soms onwezenlijke kunst bedachten we, dat die parkeergarage vermoedelijk stiekem gewoon een onderdeel was van deze surrealistische happening.

16. nov, 2017

De tijd dat we gingen kamperen in een klein tentje, kookten op een simpel gasbrandertje en de flessen wijn koel hielden in een plastic zak in de rivier, ligt ver achter ons.

Het begon allemaal toen de jongens nog klein waren. De klassieke koelbox bleek al snel ongeschikt voor een jong gezinnetje. Een elektrische koelbox moest er komen. En daarmee ook een aanhangwagentje, want toen kon het echt allemaal niet meer in de auto. Eerst eentje gehuurd, daarna eentje gekocht. En hangt er een karretje achter de auto, dan kan er natuurlijk meer mee: een boot, peddels, visgerei, badmintonrackets, een voetbal, waterballetjes, luchtbedden en twee steeds groter wordende kinderen. Op een gegeven moment kon het koelboxje er niet meer bij, maar geen nood, het was toch te klein en op de camping konden we voor niet te veel geld een tafelmodel koelkast huren. En voor onderweg (we trokken eerst altijd graag een weekje door Frankrijk om wat interessante plaatsen te bezoeken) kon de gewone koelbox inmiddels wel weer dienst doen. De elektriciteitsaansluiting was allang onmisbaar geworden – niet alleen om ons eten koel te houden, maar ook voor onze verlichting en om de smartphones, camera en Nintendo’s op te laden.

De laatste jaren kamperen we weer met z’n tweeën en is het karretje vervangen door een dakkoffer. In de voortent staat weer het elektrische koelboxje. Zonder stroom kunnen we dus niet meer. En ook niet meer zonder Wifi, trouwens.
Toch kamperen we, in vergelijking met veel anderen, simpel. In de afgelopen vakantie werden we ons daar weer even zeer van bewust.
We slapen we nog steeds in een tent. Uiteraard is dat wel een tent waarin ik met mijn 1,97 m rechtop kan staan. Sinds we echter weer buiten het seizoen met vakantie gaan staan we niet meer tussen de andere tenten, maar tussen de caravans en, vooral, heel veel campers. Ze zijn er in alle soorten en maten, van minibusjes tot formaat stadsbus. Ze hebben allemaal televisie en het is net een toneelstuk wanneer de juiste positie voor de losse schotelantenne moet worden gevonden. Het ding wordt telkens verplaatst en gedraaid, en vanuit de caravan of camper klinkt voortdurend: “Ja, beter!”, “Nee, slechter!” of “Nee, nog slechter!”, waarmee dan de ontvangst van de Nederlandse televisie in Zuid-Frankrijk wordt bedoeld. In de avonden is het vaak nog vrij koel en als je goed luistert, hoor je waar de buren binnen naar kijken. Wij doen een trui aan en blijven buiten zitten. Daar moet ik eerlijkheidshalve aan toevoegen, dat wij in het voorseizoen wel weer tot de jongste kampeerders behoren.

Ook in het hoogseizoen waren er altijd al veel schotelantennes te zien op de camping. Steeds meer andere elektrische apparatuur deed zijn intrede. En ja, dan gebeurt het. We hadden een Belgische medekampeerder die er goed in was: het koffiezetapparaat stond te pruttelen, de frituur stond aan en er moest ook nog even snel iets in de magnetron. En pats! De halve camping zonder stroom. Het werd meestal snel verholpen, en echt veel last hadden we er niet van. Maar het gebeurde ook wel eens ’s avonds laat of ’s nachts, en dan duurde het vaak langer. Heel vervelend wanneer je bijvoorbeeld, zoals mijn zwager, de insuline van je dochter in de koelkast van je caravan bewaart.

In het voorseizoen is de belasting van het net gelukkig wat minder zwaar. Maar ook dan kan het misgaan. Op een zaterdagmiddag barst er ineens een zware onweersbui los en – ja, weer pats. Nu is het blikseminslag. Geen stroom en geen Wifi. Er wordt naarstig gezocht naar de oorzaak en hard gewerkt, maar het wil niet helemaal lukken. Ons hele rijtje blijft zonder stroom zitten. “Demain!” roept campingbaas Emmanuel, en daar zijn we mooi klaar mee. Alle buren staan met elkaar te praten en gelukkig  informeert onze naaste buurman hoe het bij ons zit. Hij haalt een koppelstuk en we kunnen onze stekker inpluggen onder zijn camper. Hij krijgt zijn stroom weer van een lege plaats een eind verderop. En zo wordt er ook voor de anderen al snel een oplossing gevonden.

Aan het eind van de zondagochtend is er weer stroom. En dan weer niet. En dan valt ook de Wifi weer uit. We koken water voor koffie in een pannetje op het gas en rond 1 uur ’s middags, als we een hapje willen gaan eten, is alles weer in orde. En het saamhorigheidsgevoel tussen de kampeerders -tent, caravan of camper- is een stuk verbeterd.

28. jun, 2017

Je hoort het vaak: “Frankrijk is een leuk land, maar er moesten geen Fransen wonen”. De inwoners van de Franse republiek zijn onvriendelijk, nors en chagrijnig, als je de verhalen hoort. Ik denk dan altijd meteen aan de dame die de camping aan de Loire beheerde, en die met tegenzin en hardop mopperend haar werkzaamheden in de tuin in de steek liet toen ik onze koelelementen wilde laten invriezen. Inderdaad, zo hebben wij tijdens onze vakanties in Frankrijk de nodige onvriendelijke, norse en chagrijnige Fransen meegemaakt. Zoals je trouwens ook onvriendelijke, norse en chagrijnige Spanjaarden, Italianen en Grieken hebt. Of, bijvoorbeeld, Nederlanders.

Waar komt de slechte reputatie van de Fransman vandaan? “Ze doen net alsof ze je niet begrijpen, als je ze wat vraagt, en reageren dan heel ongeduldig”, is een antwoord dat je regelmatig krijgt. Nou denk ik, eerlijk gezegd, dat ze in veel gevallen inderdaad geen idee hebben wat die buitenlander bedoelt met zijn gebrabbel. Het Frans van de gemiddelde Nederlander is op zijn zachtst gezegd slecht, en zijn formuleringen (vaak letterlijk vertaald) klinken in Franse oren onbeleefd. “Je veux…” betekent zoiets als “Ik eis….”. Begin je zin met “Je voudrai bien…” en het wordt al een stuk beter ontvangen. En het ongeduldig worden? Een paar weken geleden stond ik nog in een Franse supermarkt, toen een Nederlands echtpaar een personeelslid aansprak in een mengeling van Nederlands, Engels en Duits. Er was letterlijk geen woord Frans bij. En de Fransman? Hij hoorde het echtpaar aan, deed echt zijn best om ze te begrijpen, deed suggesties, wees verschillende zaken aan en wist ze uiteindelijk te helpen aan datgene wat ze zochten. Hoezo ongeduldig?

En als ik zo eens nadenk, kan ik eigenlijk weinig voorbeelden van onvriendelijke en chagrijnige Fransen opnoemen. Ja, in Parijs misschien, maar dat geldt voor elke grote stad in elk land. En ja, ze kunnen ongeduldig zijn, en soms heetgebakerd. Maar ja, dat kan ik zelf ook zijn. En voor de rest schieten mij eigenlijk alleen maar positieve voorbeelden te binnen. Schiet mijn Frans tekort? Negen van de tien Fransen willen tegenwoordig dolgraag laten zien hoe goed hun Engels is. Ik moet mezelf er soms toe dwingen om Frans te blijven spreken (want ik wil het zo graag oefenen!). De campingbeheerder in de buurt van Parijs, die ons uitgebreid uitlegde hoe we het beste naar de hoofdstad konden rijden, waar we het beste konden parkeren en waar we dan moesten overstappen op het openbaar vervoer. De marktkooplui die uitgebreid en met veel geduld uitleggen wat iets is, hoe het is gemaakt en hoe je het eet. De uiterst behulpzame dame in de Pharmacie in Anduze, die ons in meerdere gevallen zo goed geholpen heeft. En nog veel meer. Maar een topper was toch wel die aardige, oudere heer in Perpignan.

De vroegere Catalaanse hoofdstad Perpignan is een bezienswaardige en zeer oude stad. Dat laatste merk je in het centrum, dat bestaat uit een wirwar van straatjes, pleintjes en steegjes en waar geen recht stuk weg te bekennen is. Wij hadden de kathedraal bezocht, koffie gedronken en wilden toen nog naar het paleis van de koningen van Majorca (waarover binnenkort meer in een ander verhaal). Hier en daar stond een bordje dat de richting aangaf, maar we liepen regelmatig vast. Terwijl we op onze plattegrond stonden te turen, sprak een oudere Fransman ons aan. Wat we zochten? “Le Palais” zei ik. Hij beduidde ons hem te volgen en dat deden we, door de kronkelende straatjes steeds verder omhoog, terwijl hij ons af en toe op iets wees en er iets over vertelde. Al gauw zagen we welke kant we op moesten, maar onze gids liet ons niet in de steek voordat hij ons pal voor de hoofdingang had afgeleverd. We bedankten hem en schudden hem de hand. Hij wenste ons een goede dag,  wees nog even twee routes aan om terug naar de benedenstad te komen en liep verder.
Niet nors, niet chagrijnig. Vriendelijk en behulpzaam. We moesten het paleis nog bekijken, maar voor ons kon het al niet meer stuk. 

12. jul, 2016

Zoek “tijdslot” op internet en je leest dat het een slot is dat, als het door de sleutel of code geopend wordt, pas na een bepaalde tijd ontgrendelt.
Zo’n soort tijdslot bedoel ik hier echter niet. Ik heb het over het tijdslot (Engels: time-slot) dat tegenwoordig gehanteerd wordt bij musea en andere (meer of minder toeristische) attracties.

Wij hadden in Nederland al eens kennis gemaakt met het verschijnsel, toen we de Matisse-tentoonstelling in het Stedelijk in Amsterdam wilden bezoeken. We hebben wel een museumkaart, maar zouden voor de expositie moeten bijbetalen. Geen probleem. Op de website werd ons geadviseerd dit alvast online te regelen, zodat we niet in de rij hoefden te staan. Maar toen ik dat wilde regelen, bleek er een tijdslot te zijn: hoe laat waren wij van plan de expositie te bezoeken?
Nu zijn wij wel enigszins van de voorbereiding (vandaar het bezoek aan de website) maar we houden toch ook wel van een beetje spontaniteit. Dat ging nu dus niet. We moesten overleggen. Welke trein zouden we nemen? Hoe laat moesten we dan thuis weg? Gingen we eerst nog ergens koffie drinken of iets anders doen? Wat wilden we die dag nog meer? Kortom: we moesten ons dagje Amsterdam van tevoren al helemaal in gaan delen. Het werd een leuke dag hoor, daar klaag ik niet over. Maar steeds op je horloge moeten kijken is toch een minpuntje.

Dat was onze beperkte ervaring met het tijdslot – tot voor kort. In onze meest recente vakantie echter kwamen we het tijdslot meerdere malen tegen.

We zouden om te beginnen gaan kamperen in de buurt van Barcelona, en wilden een dag of twee uittrekken om de stad te bekijken. Een verplicht onderdeel daarbij was voor ons een bezoek aan de Sagrada Familia. Koop je tickets online, stond in alle boekjes, anders zou je uren in de rij staan. Dat laatste vonden we toch een beetje zonde van onze tijd, dus online tickets zouden het worden. Dan moet je dus in elk geval een datum prikken – terwijl we nog niet eens wisten wanneer we uit Nederland zouden vertrekken. Dus weer overleggen (gelukkig kunnen we als Nederlanders goed polderen). Dag van vertrek definitief kiezen, wanneer komen we aan, op welke dagen willen we Barcelona bezoeken. Nadat we waren uitgepuzzeld lag de invulling van de eerste week van de vakantie al helemaal vast – een uniek gebeuren. Maar toen moesten we ook nog een tijd prikken! Uiteindelijk werd het 12 uur ’s middags met het idee dat dat wel zou moeten lukken. En dat deed het ook – we konden onze dagindeling hier goed op afstemmen. Het bezoek aan de Sagrada Familia was gelukkig een groot succes en inderdaad: wie nog een kaartje moest kopen stond in een lange rij.

Op de tweede dag in Barcelona waren we minder fortuinlijk. We wilden naar Park Güell, een andere Gaudi-attractie. We hadden dit niet van tevoren bedacht en niets online aangeschaft, dus na een kop koffie op de Plaça de Catalunya en wat sightseeing sloten we aan in de rij voor de kaartjes. Daar kregen we al snel te horen dat er een “time-slot” was: we zouden pas om 1 uur ’s middags naar binnen kunnen. Het was 11 uur ‘s ochtends, het was onze laatste dag in Barcelona en we wilden nog héél veel zien. We zijn dus uit de rij gestapt, hebben een wandeling door het openbare deel van het park gemaakt (ook heel mooi!), nog een kop koffie gedronken en een paar foto’s door het hek gemaakt. Jammer. Toen zijn we verder gegaan en hebben we nog een heel plezierige dag gehad.

Maar dat was nog niet alles.
We zagen dat we op onze terugreis naar Frankrijk (waar we de rest van de vakantie wilden doorbrengen) langs Figueres zouden komen. Figueres is de geboorteplaats van Salvador Dali en in het museum daar is de grootste collectie van zijn werken te zien. Hé, een leuk uitstapje voor onderweg! Na Park Güell echter wilden we het deze keer toch maar anders organiseren en zittend voor de tent (camping met goede wifi!) zocht ik een dag van tevoren de website van het Dali-museum op. Klikken op online tickets bestellen, datum invullen – en daar kwam het bericht: voor de volgende dag (een zondag) waren er nog 8 tickets beschikbaar, en alleen om 11.00 uur. Daar ging ons “spontane” museumbezoek. Om 11.00 in Figueres en voor die tijd onze tent nog afbreken, de auto inladen en er naar toe rijden? Misschien nèt te doen, maar dan wel met veel haastwerk. We hebben het maar laten zitten.
En gelukkig maar, want achteraf hadden we het toch niet op tijd gehaald. We waren daarentegen lekker vroeg in Argelès-sur-Mer en brachten de middag heerlijk door aan het strand. Ook niks mis mee. En voor het strand was er geen tijdslot.

30. aug, 2015

Onze vakantie in Frankrijk in 2015 is een van de vakanties geworden waarin we Marc Chagall weer tegenkwamen, wiens werk we allebei mooi vinden. 

De schilder Chagall werd in 1887 in Witebsk (Wit-Rusland) geboren als Movsja Zacharovitsj Sjagal. In 1910 verhuisde hij naar het toenmalige centrum van het culturele leven in Europa, Parijs. Chagall keerde nog enkele malen terug naar Rusland, maar in 1922 vestigde hij zich (met vrouw en kind) voorgoed in Parijs. Hij veranderde zijn naam en werd in 1937 Frans staatsburger.

Zijn armoedige jeugd in een chassidisch-joods gezin keert regelmatig terug in zijn schilderijen. Hij heeft een eigen, dromerige stijl en zijn kleurgebruik is uitbundig en bijzonder. 

Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het eerst een schilderij van Chagall heb gezien. Wel weet ik dat ik zijn kunst al kende en bewonderde toen we in de jaren ’90 enkele malen de Côte d’Azur bezochten en toen in Nice naar het Musée Marc Chagall gingen. De reproductie van “Cantique des Cantiques IV”, die we daar kochten, hangt nog steeds in onze woonkamer.
Ook zagen we toen werk van hem (onder meer kleurrijke mozaïeken) in de Fondation Maeght in St. Paul-de-Vence, waar Chagall jarenlang woonde en werkte en ook (in 1985, 98 jaar oud) overleed. 

Chagall bleef zijn hele lange leven werken. Op latere leeftijd maakte hij ook keramiek en toen hij rond de 70 was, ging hij zich bezighouden met de glazenierskunst. Zijn prachtige, kleurrijke ramen zijn wereldberoemd en waren ook het eerste werk dat ik van Chagall zag. Dat was in de synagoge van het Hadassah-ziekenhuis in Jeruzalem. Op deze ramen staan de twaalf stammen van Israël afgebeeld.
Meer ramen van Chagall zijn te bewonderen in Frankrijk, Duitsland (St. Stefanskerk, Mainz), Engeland en de VS (Verenigde Naties, New York).
In Frankrijk zag ik zijn ramen in de kathedraal van Reims, een paar jaar geleden, en dit jaar dus in de kathedraal van Metz – negen prachtige, kleurige, vrolijke ramen.

Toen we weer terug waren in Delft bekeek ik onze reproductie nog eens – ook nu weer vol bewondering – en voegde nog eens een paar schilderijen van Marc Chagall toe aan mijn verzameling op Pinterest.