Kamperen in Frankrijk

12. jul, 2016

Zoek “tijdslot” op internet en je leest dat het een slot is dat, als het door de sleutel of code geopend wordt, pas na een bepaalde tijd ontgrendelt.
Zo’n soort tijdslot bedoel ik hier echter niet. Ik heb het over het tijdslot (Engels: time-slot) dat tegenwoordig gehanteerd wordt bij musea en andere (meer of minder toeristische) attracties.

Wij hadden in Nederland al eens kennis gemaakt met het verschijnsel, toen we de Matisse-tentoonstelling in het Stedelijk in Amsterdam wilden bezoeken. We hebben wel een museumkaart, maar zouden voor de expositie moeten bijbetalen. Geen probleem. Op de website werd ons geadviseerd dit alvast online te regelen, zodat we niet in de rij hoefden te staan. Maar toen ik dat wilde regelen, bleek er een tijdslot te zijn: hoe laat waren wij van plan de expositie te bezoeken?
Nu zijn wij wel enigszins van de voorbereiding (vandaar het bezoek aan de website) maar we houden toch ook wel van een beetje spontaniteit. Dat ging nu dus niet. We moesten overleggen. Welke trein zouden we nemen? Hoe laat moesten we dan thuis weg? Gingen we eerst nog ergens koffie drinken of iets anders doen? Wat wilden we die dag nog meer? Kortom: we moesten ons dagje Amsterdam van tevoren al helemaal in gaan delen. Het werd een leuke dag hoor, daar klaag ik niet over. Maar steeds op je horloge moeten kijken is toch een minpuntje.

Dat was onze beperkte ervaring met het tijdslot – tot voor kort. In onze meest recente vakantie echter kwamen we het tijdslot meerdere malen tegen.

We zouden om te beginnen gaan kamperen in de buurt van Barcelona, en wilden een dag of twee uittrekken om de stad te bekijken. Een verplicht onderdeel daarbij was voor ons een bezoek aan de Sagrada Familia. Koop je tickets online, stond in alle boekjes, anders zou je uren in de rij staan. Dat laatste vonden we toch een beetje zonde van onze tijd, dus online tickets zouden het worden. Dan moet je dus in elk geval een datum prikken – terwijl we nog niet eens wisten wanneer we uit Nederland zouden vertrekken. Dus weer overleggen (gelukkig kunnen we als Nederlanders goed polderen). Dag van vertrek definitief kiezen, wanneer komen we aan, op welke dagen willen we Barcelona bezoeken. Nadat we waren uitgepuzzeld lag de invulling van de eerste week van de vakantie al helemaal vast – een uniek gebeuren. Maar toen moesten we ook nog een tijd prikken! Uiteindelijk werd het 12 uur ’s middags met het idee dat dat wel zou moeten lukken. En dat deed het ook – we konden onze dagindeling hier goed op afstemmen. Het bezoek aan de Sagrada Familia was gelukkig een groot succes en inderdaad: wie nog een kaartje moest kopen stond in een lange rij.

Op de tweede dag in Barcelona waren we minder fortuinlijk. We wilden naar Park Güell, een andere Gaudi-attractie. We hadden dit niet van tevoren bedacht en niets online aangeschaft, dus na een kop koffie op de Plaça de Catalunya en wat sightseeing sloten we aan in de rij voor de kaartjes. Daar kregen we al snel te horen dat er een “time-slot” was: we zouden pas om 1 uur ’s middags naar binnen kunnen. Het was 11 uur ‘s ochtends, het was onze laatste dag in Barcelona en we wilden nog héél veel zien. We zijn dus uit de rij gestapt, hebben een wandeling door het openbare deel van het park gemaakt (ook heel mooi!), nog een kop koffie gedronken en een paar foto’s door het hek gemaakt. Jammer. Toen zijn we verder gegaan en hebben we nog een heel plezierige dag gehad.

Maar dat was nog niet alles.
We zagen dat we op onze terugreis naar Frankrijk (waar we de rest van de vakantie wilden doorbrengen) langs Figueres zouden komen. Figueres is de geboorteplaats van Salvador Dali en in het museum daar is de grootste collectie van zijn werken te zien. Hé, een leuk uitstapje voor onderweg! Na Park Güell echter wilden we het deze keer toch maar anders organiseren en zittend voor de tent (camping met goede wifi!) zocht ik een dag van tevoren de website van het Dali-museum op. Klikken op online tickets bestellen, datum invullen – en daar kwam het bericht: voor de volgende dag (een zondag) waren er nog 8 tickets beschikbaar, en alleen om 11.00 uur. Daar ging ons “spontane” museumbezoek. Om 11.00 in Figueres en voor die tijd onze tent nog afbreken, de auto inladen en er naar toe rijden? Misschien nèt te doen, maar dan wel met veel haastwerk. We hebben het maar laten zitten.
En gelukkig maar, want achteraf hadden we het toch niet op tijd gehaald. We waren daarentegen lekker vroeg in Argelès-sur-Mer en brachten de middag heerlijk door aan het strand. Ook niks mis mee. En voor het strand was er geen tijdslot.

30. aug, 2015

Onze vakantie in Frankrijk in 2015 is een van de vakanties geworden waarin we Marc Chagall weer tegenkwamen, wiens werk we allebei mooi vinden. 

De schilder Chagall werd in 1887 in Witebsk (Wit-Rusland) geboren als Movsja Zacharovitsj Sjagal. In 1910 verhuisde hij naar het toenmalige centrum van het culturele leven in Europa, Parijs. Chagall keerde nog enkele malen terug naar Rusland, maar in 1922 vestigde hij zich (met vrouw en kind) voorgoed in Parijs. Hij veranderde zijn naam en werd in 1937 Frans staatsburger.

Zijn armoedige jeugd in een chassidisch-joods gezin keert regelmatig terug in zijn schilderijen. Hij heeft een eigen, dromerige stijl en zijn kleurgebruik is uitbundig en bijzonder. 

Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het eerst een schilderij van Chagall heb gezien. Wel weet ik dat ik zijn kunst al kende en bewonderde toen we in de jaren ’90 enkele malen de Côte d’Azur bezochten en toen in Nice naar het Musée Marc Chagall gingen. De reproductie van “Cantique des Cantiques IV”, die we daar kochten, hangt nog steeds in onze woonkamer.
Ook zagen we toen werk van hem (onder meer kleurrijke mozaïeken) in de Fondation Maeght in St. Paul-de-Vence, waar Chagall jarenlang woonde en werkte en ook (in 1985, 98 jaar oud) overleed. 

Chagall bleef zijn hele lange leven werken. Op latere leeftijd maakte hij ook keramiek en toen hij rond de 70 was, ging hij zich bezighouden met de glazenierskunst. Zijn prachtige, kleurrijke ramen zijn wereldberoemd en waren ook het eerste werk dat ik van Chagall zag. Dat was in de synagoge van het Hadassah-ziekenhuis in Jeruzalem. Op deze ramen staan de twaalf stammen van Israël afgebeeld.
Meer ramen van Chagall zijn te bewonderen in Frankrijk, Duitsland (St. Stefanskerk, Mainz), Engeland en de VS (Verenigde Naties, New York).
In Frankrijk zag ik zijn ramen in de kathedraal van Reims, een paar jaar geleden, en dit jaar dus in de kathedraal van Metz – negen prachtige, kleurige, vrolijke ramen.

Toen we weer terug waren in Delft bekeek ik onze reproductie nog eens – ook nu weer vol bewondering – en voegde nog eens een paar schilderijen van Marc Chagall toe aan mijn verzameling op Pinterest.

7. mei, 2015

Maakt niet uit waar we ergens zitten in Frankrijk: als er in de buurt een markt is, gaan we daar naar toe. Mijn schoonmoeder was altijd helemaal gek op die “leuke Franse marktjes overal” en omdat de appel bij dit soort zaken niet ver van de boom valt, heeft Annelies dat overgenomen. Zo ben ik ook besmet geraakt met het Franse-markt-virus en dat geldt ook voor 50% van ons kroost (wat betekent dat er altijd één zoon op de camping blijft dan wel na een poosje slenteren ergens op een muur lijdelijk gaat zitten wachten tot iedereen alles gezien heeft).

Wat is er nou zo aardig aan zo’n markt? Ten eerste is niet iedere markt leuk. De omgeving telt ook! De kramen moeten wel in een pittoresk oud stadje staan. De fotograaf wil tenslotte ook wat. De markt moet op zijn minst een aardige streekmarkt zijn, anders ben je er in een half uurtje doorheen. En, heel belangrijk: er moet een plek zijn waar je mensen kunt kijken. Want dat is natuurlijk één van de grote charmes van zo’n markt in een Frans stadje.
Op de markt van St. Jean-du-Gard, in de Cevennes, hebben we daarvoor de ideale plek gevonden.

We vertrekken niet te laat, want na tienen kun in St. Jean bijna nergens meer je auto parkeren (in elk geval niet in de schaduw en zeker niet op korte afstand van de markt). Na de eerste honderd, honderdvijftig meter vol kramen verschijnt aan onze linkerhand de Place du Marché, een plein met platanen. Aan de zonzijde (uiteraard onder een groot aantal zonneschermen en parasols) bevindt zich naast elkaar een aantal terrassen. Ongeveer in het midden moeten we zijn, bij het Café de l'Universe, daar is het uitzicht het beste. Als je dan ongeveer halverwege het café en de rand van het terras gaat zitten, zie je het allemaal langskomen. De oude vrouwtjes met hun tas vol groenten. De mannen, die al lekker aan een glaasje wijn zitten (wij hebben natuurlijk braaf koffie besteld). Er wordt gezoend, kreten worden geslaakt, er wordt gelachen. Tafeltjes worden bezet, stoelen bijgeschoven. Twee vrouwtjes met een hoofddoek bestellen koffie en frisdrank. Een oud dametje, breekbaar maar o, zo keurig gekleed, gekapt en opgemaakt, waagt zich aan een likeurtje. Er wordt geroepen, gezwaaid en gewenkt naar vrienden, kennissen en familie. Een tafeltje komt leeg en wordt meteen bijgeschoven. Nog een paar stoelen erbij en de serveerster wordt weer geroepen. En ook die moet, voor ze de bestelling opneemt, even zoenen en gezoend worden.

Het is altijd weer een feest – het is jammer dat onze koffie intussen op is en we af moeten rekenen. Maar we willen de rest van de markt ook nog zien – want ook dat is een feest. Een feest van kleuren en geuren. Rekken vol sjaals en fleurige kleding, sieraden, handgemaakte sandalen. Maar vooral het eten! Fruit in felrood, geel en oranje: perziken, abrikozen, meloenen, kersen. Kaas, overal de mooiste en heerlijkste kazen. Alle mogelijke worsten, tot ezelworst aan toe. Quiches, pizza’s, gebak in alle soorten, maten en smaken. We kunnen er niet genoeg van krijgen (ik heb de helft ook nog net opgenoemd) maar op een gegeven moment lopen we met volle tassen te sjouwen en hebben we alles gezien. Op de terugweg naar de auto kopen we toch nog even dat ene T-shirt-met-opdruk en halen we bij de boulangerie een flûte voor de lunch – en dan zijn we bij de auto. We laden in, rijden met open ramen de weg op en volgen de rivier stroomafwaarts.

Als de ochtend om is, zitten we heerlijk met onze voeten omhoog in de schaduw bij de tent. De dag kan niet meer stuk.

13. mei, 2014

Het is half mei en het is al een hele tijd koud en nat. Voor de komende dagen wordt droger weer voorspeld, maar de thermometer zal nog niet veel verbetering laten zien. Dat zijn momenten waarop je denkt aan vakantie. Sleutelwoorden: zon, warm, strand, buiten, zwembroek.

Het kan in een vakantie ook wel eens té warm worden. Dat overkwam ons een paar jaar geleden. We vertrokken op een zondag uit Nederland. We hadden een dag of vijf voordat we op de gereserveerde plaats in de Cevennes moesten zijn, en wilden die dagen gebruiken om de jongens iets van de Provence te laten zien, waar pa en ma vóór hun komst zulke geweldige vakanties hadden meegemaakt. De eerste dag reden we tot Uzichy, aan de Saône. Daar bleven we twee nachten staan, omdat we het oude stadje Tournus met de vroegromaanse abdijkerk van St. Philibert wilden bezoeken. Kerk en abdij waren erg mooi en we hebben er veel foto’s gemaakt. Daarmee hadden we in elk geval weer iets aan cultuur gedaan. En Tournus is een mooi en gezellig stadje.

Op dinsdag trokken we verder naar het zuiden. Toen we opstonden hing de mist nog dicht boven de rivier, maar het was al heel zonnig. Na een rit van 400 km reden we in Mérindol het terrein van camping Les Argiles op. Daar was geen enkele schaduwplaats meer, en omdat het al enorm warm was, reden we door naar Mallemort. Daar stonden we al snel op een ruime en redelijk beschaduwde plaats, tussen mimosa’s, acacia’s, oleanders en cypressen. De lucht was blauw, het was bloedheet en het duurde even voor de tenten stonden, maar gelukkig was er een zwembad.

’s Nachts werd het geleidelijk aan koeler, en we hebben goed geslapen. De volgende dag bezochten we Les-Baux-de-Provence, waarvan we ons herinnerden dat het erg leuk was. Dat bleek het nog steeds te zijn, en gelukkig vonden de  jongens dat ook. Een aanrader! We dwaalden door de kronkelige straatjes, zagen een demonstratie van een blijde (middeleeuws belegeringsinstrument) en bekeken het hele kasteel. Het uitzicht was spectaculair en Daan maakte massa’s foto’s. Het was ook erg, erg warm. We moesten veel klimmen en vorderden steeds langzamer. Ik weet het, eigenlijk moet je zoiets niet doen op zo’n hete dag, maar we zouden nou eenmaal niet lang in de buurt zijn.
Op een moment dat het bìjna niet meer leuk was, liepen we een donkere ruimte binnen achter een half gesloopte kasteelmuur. En daar stonden we ineens voor een stel automaten met “boissons fraiches” erop! De blikjes fris waren ijskoud en voor even was dit het hoogtepunt van de dag.…..

Ach ja, en wat is nou eigenlijk té warm? ’s Middags, bij het zwembad, hadden we het alleen nog over al het moois dat we hadden gezien ( inclusief, uiteraard, de frisdrankautomaat). En op dit moment zou ik maar al te graag in Les-Baux-de-Provence willen zitten!

26. feb, 2014

Voor ons gezin is “de berg” een begrip. Wanneer iemand van ons daarover begint, weten de anderen onmiddellijk wat er wordt bedoeld. We hebben het dan over de berg van Anduze, waar het stadje gedeeltelijk tegenaan is gebouwd. De berg heet eigenlijk Le Rocher de St. Julien. De steile noordwand van de berg vormt, samen met de tegenoverliggende rotswand, de “Porte des Cevennes”, die de overgang tussen de vlakte van de Languedoc en de Cevennes markeert. De twee zijde van de Porte des Cevennes worden verbonden door de spoorbrug over de Gardon, waarover enkele keren per dag de stoomtrein rijdt, die ook nog via een 833 meter lange tunnel dwars door “de berg” gaat.

Ik beklom de berg voor het eerst in 1987 of ’88, samen met mijn zwager Mark. Ik weet nog dat het erg warm was en dat we niet de moeite hadden genomen om de officiële route op te zoeken (als we al wisten dat die er was). We zijn toen weer afgedaald langs de noordwand. Levensgevaarlijk, denk ik nu. Toen vonden we het alleen maar spannend.

Na de berg jarenlang de berg gelaten te hebben, en in onze vakanties ook veel andere gebieden in Frankrijk en andere landen te hebben bezocht, kwamen we met onze kinderen weer in Anduze terecht. Voor de jongens was het water van de Gardon de grote attractie. Zwemmen, kanovaren, vissen, snorkelen, dammen bouwen…..het hield ze de hele dag bezig. Jaar na jaar brachten we zo een deel van onze kampeervakantie in Anduze door. Op een dag liet ik me ontvallen, dat ik met oom Mark de berg wel eens beklommen had. Toen was er natuurlijk geen houden meer aan. We moesten de berg op! Met zijn vieren (uiteraard met de officiële routebeschrijving in de hand) begaven we ons naar het begin van de route, op de Place de la République, en gingen we omhoog. Weer was het warm, het rook er naar tijm en om ons heen snerpten de cicaden hun oorverdovende concert.
Tijdens de klim werd het uitzicht naar het zuiden steeds imposanter. De groene vlakte, die eindigde in een blauw waas, werd steeds weidser. Over de ruïne van het Chateau de Tornac, eerst hoog boven ons, keken we naar nog meer vlakten en heuvels.
En bovenop aangekomen was daar was het uitzicht naar het noorden. We stonden op de laatste, minimale restanten van het oude kasteel, verwoest nadat de protestanten aan het eind van de 17e eeuw de stad na een lange strijd hadden moeten overgeven aan de troepen van Lodewijk XIV. Beneden ons de steile helling, vóór ons de groene vallei waar we in het midden, vlakbij de rivier, nèt onze tent konden zien staan. Daarachter de blauwe Cevennes, golvend tot aan de horizon, als bergen op een plaatje in een boek.

Inmiddels is een traditie geboren. Sinds een paar jaar beklimmen we de berg met oom Floris en zijn gezin. Vóór 9 uur ’s ochtends zijn we op pad. Annelies heeft het na die ene keer wel bekeken en blijft beneden achter met Shadow, de bordercollie van Floris. Die twee zijn verstandig en vinden het veel te warm. De rest van ons klimt, gewapend met flesjes water en limonade, omhoog. Elk jaar is het uitzicht spectaculairder, zijn de foto’s mooier, de zon warmer en zingen de cicaden harder. En als we genoeg hebben van het uitzicht bellen we Annelies en gaan naar beneden, om koffie te gaan drinken op het terras van het Café des Arts, in de schaduw van de platanen. Daar praten we dan na en kijken we naar al die mensen, die de berg níet hebben beklommen.