26. feb, 2014

De berg op

Voor ons gezin is “de berg” een begrip. Wanneer iemand van ons daarover begint, weten de anderen onmiddellijk wat er wordt bedoeld. We hebben het dan over de berg van Anduze, waar het stadje gedeeltelijk tegenaan is gebouwd. De berg heet eigenlijk Le Rocher de St. Julien. De steile noordwand van de berg vormt, samen met de tegenoverliggende rotswand, de “Porte des Cevennes”, die de overgang tussen de vlakte van de Languedoc en de Cevennes markeert. De twee zijde van de Porte des Cevennes worden verbonden door de spoorbrug over de Gardon, waarover enkele keren per dag de stoomtrein rijdt, die ook nog via een 833 meter lange tunnel dwars door “de berg” gaat.

Ik beklom de berg voor het eerst in 1987 of ’88, samen met mijn zwager Mark. Ik weet nog dat het erg warm was en dat we niet de moeite hadden genomen om de officiële route op te zoeken (als we al wisten dat die er was). We zijn toen weer afgedaald langs de noordwand. Levensgevaarlijk, denk ik nu. Toen vonden we het alleen maar spannend.

Na de berg jarenlang de berg gelaten te hebben, en in onze vakanties ook veel andere gebieden in Frankrijk en andere landen te hebben bezocht, kwamen we met onze kinderen weer in Anduze terecht. Voor de jongens was het water van de Gardon de grote attractie. Zwemmen, kanovaren, vissen, snorkelen, dammen bouwen…..het hield ze de hele dag bezig. Jaar na jaar brachten we zo een deel van onze kampeervakantie in Anduze door. Op een dag liet ik me ontvallen, dat ik met oom Mark de berg wel eens beklommen had. Toen was er natuurlijk geen houden meer aan. We moesten de berg op! Met zijn vieren (uiteraard met de officiële routebeschrijving in de hand) begaven we ons naar het begin van de route, op de Place de la République, en gingen we omhoog. Weer was het warm, het rook er naar tijm en om ons heen snerpten de cicaden hun oorverdovende concert.
Tijdens de klim werd het uitzicht naar het zuiden steeds imposanter. De groene vlakte, die eindigde in een blauw waas, werd steeds weidser. Over de ruïne van het Chateau de Tornac, eerst hoog boven ons, keken we naar nog meer vlakten en heuvels.
En bovenop aangekomen was daar was het uitzicht naar het noorden. We stonden op de laatste, minimale restanten van het oude kasteel, verwoest nadat de protestanten aan het eind van de 17e eeuw de stad na een lange strijd hadden moeten overgeven aan de troepen van Lodewijk XIV. Beneden ons de steile helling, vóór ons de groene vallei waar we in het midden, vlakbij de rivier, nèt onze tent konden zien staan. Daarachter de blauwe Cevennes, golvend tot aan de horizon, als bergen op een plaatje in een boek.

Inmiddels is een traditie geboren. Sinds een paar jaar beklimmen we de berg met oom Floris en zijn gezin. Vóór 9 uur ’s ochtends zijn we op pad. Annelies heeft het na die ene keer wel bekeken en blijft beneden achter met Shadow, de bordercollie van Floris. Die twee zijn verstandig en vinden het veel te warm. De rest van ons klimt, gewapend met flesjes water en limonade, omhoog. Elk jaar is het uitzicht spectaculairder, zijn de foto’s mooier, de zon warmer en zingen de cicaden harder. En als we genoeg hebben van het uitzicht bellen we Annelies en gaan naar beneden, om koffie te gaan drinken op het terras van het Café des Arts, in de schaduw van de platanen. Daar praten we dan na en kijken we naar al die mensen, die de berg níet hebben beklommen.