Geschiedenis is leuk!

10. okt, 2019

We weten allemaal alles van het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1945. Het was een cruciale gebeurtenis tijdens de oorlogsdagen en de directe aanleiding voor de overgave van Nederland aan de Duitsers. De vele honderden doden en de totale vernietiging van het oude centrum van de stad sprak en spreekt tot ieders verbeelding.
We weten, over het algemeen,  wat er in die tijd nog meer werd aangericht in Nederlandse steden: de Engelse bommenwerpers die per abuis hun bommen afwierpen boven steden als Hengelo en Nijmegen; de verwoesting van Arnhem tijdens Market Garden.
Er is nog meer te noemen op dat gebied, maar tijdens een kampeervakantie in Zeeuws-Vlaanderen werd ik geconfronteerd met een oorlogsgeschiedenis, die mij grotendeels onbekend was.

Ik wist dat het eiland Walcheren zwaar te lijden had gehad in de Tweede Wereldoorlog. Het Britse bombardement op de dijk bij Westkapelle in oktober 1944, met de bedoeling Walcheren onder water te zetten, kostte 180 inwoners het leven; hun graven achter de vuurtoren maakten op mij als 10-jarig jongetje een diepe indruk. In Middelburg is, in 1940 al, een groot deel van de binnenstad, inclusief het monumentale (en na 1945 weer opgebouwde) abdijcomplex, verwoest.

Het bombardement van Westkapelle en de gebeurtenissen in Zeeuws-Vlaanderen staan in directe relatie tot de “Slag om de Schelde” in oktober en november 1944, kortgeleden nog officieel herdacht in aanwezigheid van de koningen van Nederland en België. Ook in Zuid-Beveland is toen hevig gevochten. Een deel van Nederland was destijds al bevrijd, maar de Duitsers beheersten nog steeds de Westerschelde, de verbinding tussen het al eerder bevrijde Antwerpen en de Noordzee. De slag duurde langer dan een maand, en gedurende die hele periode was met name het westelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen het toneel van zeer zware gevechten.

Zeeuws-Vlaanderen heeft vaker in de geschiedenis te maken gehad met oorlogsgeweld. Zo was de vestingstad Sluis door zijn strategische ligging al in de Middeleeuwen regelmatig het doel van vijandigheden. Ook tijdens de Tachtigjarige oorlog speelde Sluis een belangrijke rol, in 1794 werd de stad nog eens belegerd door de Fransen en uiteindelijk in 1944 zwaar beschadigd door geallieerde bombardementen. In de Eerste Wereldoorlog was Zeeuws-Vlaanderen een van de weinige regio’s die rechtstreeks getroffen werden door het oorlogsgeweld: net als in de latere oorlog vonden er “vergissingsbombardementen” plaats, en ook vielen er slachtoffers door aangespoelde zeemijnen.

De Tweede Wereldoorlog, en vooral de beëindiging daarvan, bracht echter ongekende verwoestingen met zich mee. Weet u, waarom koningin Wilhelmina haar eerste schreden in Nederland wilde zetten in het Zeeuws-Vlaamse Eede? Eede lag op een gegeven moment in de frontlinie. De Duitsers evacueerden het dorp, waarna het grotendeels verwoestten om vrij schootsveld te krijgen. De Canadezen deden de rest. Toen het dorp werd bevrijd was het nagenoeg volledig vernietigd. Er stonden nog een paar huizen overeind, maar ook die waren zwaar beschadigd. Deze plek werd om die reden door Wilhelmina uitgekozen om haar rentree te maken in het toen deels bevrijde Nederland. Ook in en rond plaatsen als Breskens, Oostburg, Zuidzande en Cadzand werd langdurig gevochten en veel met de grond gelijk gemaakt.

In Aardenburg bezochten Annelies en ik de 13e-eeuwse Sint-Bavokerk. Tijdens de Slag om de Schelde werd de kerk, evenals een deel van het stadje, door brand verwoest. De kerk is herbouwd, maar de littekens van de oorlog zijn nog zichtbaar. In het Gemeentelijk Archeologisch Museum was een tentoonstelling gewijd aan de Slag om de Schelde en de rampzalige gevolgen daarvan voor het gebied. We hebben een heerlijke vakantie gehad, daar in het zuidwesten van Nederland. Lekker gewandeld, fietstochten gemaakt, Brugge bezocht, Sluis en Middelburg. Maar allebei waren we tegelijkertijd ontzettend onder de indruk van wat de mensen in dit gebied in die weken van 1944 hebben moeten doorstaan.

3. mei, 2019

Almelo, mijn geboorteplaats, staat niet bepaald bekend als een bruisende stad (denk aan het stoplicht van Herman Finkers). Ten onrechte, denk ik en velen met mij: er is altijd (zeker voor een stad van deze omvang) altijd veel te doen en ook veel te zien geweest. Het uitgaansleven wordt al jaren gestimuleerd door de jonge (en oudere) bewoners van Almelo zelf en van de vele kleinere plaatsen in de omgeving, waarvoor Almelo al heel lang een centrumfunctie vervult. Een echt mooi, groot museum ontbreekt helaas, maar er zijn wel een paar kleine juweeltjes op dat gebied, zoals het Stadsmuseum Almelo in het 18e-eeuwse Rectorshuis (de vroegere Latijnse school) en het Wevershuisje. Wandel je door de oude Grotestraat, dan kun je prachtige 18e en 19e-eeuwse gevels zien. De Grote Kerk aan het Kerkplein is een verrassende mix van gotiek en barok, met een Beiers accent door de bijzondere torenspits (zie mijn blog “Een exoot in Almelo”).

Passeer je de kerk, dan loop je via de Herengracht met zijn piepkleine oude huisjes ineens in de groene oase van de Gravenallee, en zie je het Huis Almelo, het oude kasteel van de Heren van Almelo, door de bomen heen schemeren. En  dat kasteel  heeft met de rest van dit verhaal te maken. Ik was laatst “Een beknopte geschiedenis van Nederland”, van historicus James Kennedy aan het lezen. Daarin staat een politieke kaart van de Nederlanden aan het begin van de veertiende eeuw. De kaart geeft politieke eenheden weer als het graafschap Holland/Zeeland, Gelre en het Sticht Utrecht, verdeeld in Nedersticht (de huidige provincie Utrecht) en Oversticht (Overijssel). En daar, in het Oversticht, ligt een kleine, anders gekleurde eenheid, waarin één stad wordt weergegeven: Almelo. Deze politieke eenheid was de Heerlijkheid Almelo.

Een heerlijkheid is een bestuursvorm voortkomend uit de feodale onderverdeling van het overheidsgezag in de middeleeuwen, en werd bestuurd door een heer (of vrouwe), die fungeerde als leenman van een hogere edelman. Almelo was tot 1795 een heerlijkheid en omvatte de gebieden van de latere gemeenten Stad Almelo, Ambt Almelo (samen sinds 1 januari 1914 gemeente Almelo) en Vriezenveen.

Huis Almelo werd voor het eerst in 1236 genoemd, maar bestond toen waarschijnlijk al zo’n 100 jaar. De rondom het kasteel gelegen nederzetting had in ieder geval in 1420 al stadsrechten. De stad had een gracht, maar geen muur. Tot 1528, toen Karel V een aantal reorganisaties doorvoerde, maakten de bisschoppen van Utrecht de dienst uit in het Oversticht. In de loop der eeuwen hadden de heren van Almelo zich echter een min of meer onafhankelijke positie ten opzichte van de Utrechtse bisschoppen weten te verwerven.

De eerste heren van Almelo duiken op in de 12e eeuw. Toen Arnold IV van Almelo rond 1365 overleed, stierf het geslacht Van Almelo in mannelijke lijn uit. Door het huwelijk van de laatste erfdochter met Evert van Heeckeren kwam de heerlijkheid in het geslacht van Heeckeren.
Evert van Heeckeren liet de eerste Almelose munten slaan. Nadat Otto van Heeckeren in 1462 het kasteel Rechteren bij Dalfsen had verkregen, noemde hij zich van Rechteren.

Johan van Rechteren ging in 1620 als eerste heer van Almelo over tot het protestantisme. In 1674 kwam de heerlijkheid in handen van zijn neef Adolf Hendrik. Zijn echtgenote was gravin Sophia Juliana van Castell-Rüdenhausen. Niet alleen gaf zij de Grote Kerk een Beierse torenspits, maar door haar kreeg Adolf ook goede relaties met talloze Duitse vorstenhoven. Dat leidde tot zijn afvaardiging door de Staten-Generaal als gezant naar de keurvorst van Mainz en als onderhandelaar naar het hof van keizer Leopold I in Wenen, en uiteindelijk tot zijn verheffing door de keizer tot rijksgraaf van het Heilige Roomse Rijk. Kortom: Adolf was geen kleine jongen in de Republiek.
In Almelo zelf was hij niet altijd even populair. Weliswaar bouwde hij in 1695 een nieuw raadhuis, maar hij bracht daar, zeer tegen de zin van de Almelose burgerij, naast het stadswapen zijn familiewapen op aan. De burgerij moest er even op wachten, maar kreeg uiteindelijk haar zin: tijdens de Bataafse Revolutie in 1795, 100 jaar later, werd het wapen van de familie van Rechteren alsnog van de gevel verwijderd.

Op dat moment was er overigens geen heer van Almelo meer, maar was er (sinds 1771) een vrouwe: gravin Sofia, de enige dochter van graaf Philip Zeger. Na een lange opvolgingsstrijd (niet alle familieleden accepteerden een vrouw als erfgename) werd zij in 1786 erkend als vrouwe van Almelo. Niet dat zij er lang plezier van had. De gravin had het tijdens haar bewind veelvuldig aan de stok met (alweer) de patriottisch gezinde Almelose burgerij. Uiteindelijk werd, na de inval in Nederland door de Fransen in 1795, de heerlijkheid Almelo, na zo’n 600 jaar bestaan te hebben, ontbonden.

Zoals ik in het begin al zei: Huis Almelo staat er nog steeds. Huis en tuin liggen er prachtig bij en vormen een sieraad voor de stad. De afstammelingen van de laatste heren van Almelo, de graven van Rechteren Limpurg, wonen er nog steeds. Macht hebben ze niet meer, maar wel een lange en interessante familiegeschiedenis om op terug te kijken.

15. feb, 2018

In Roermond ligt een merkwaardig graf. Het is een dubbelgraf, de laatste rustplaats van een echtpaar. Het bijzondere van het graf is dat deze man en vrouw aan weerszijden van een muur begraven zijn.

De protestantse kolonel van Gorkum, afkomstig uit Amsterdam, trouwde in 1842 met de katholieke jonkvrouw Josephina van Aefferden uit Roermond. Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen, zeiden ze in die tijd (en ook nog veel later). Het huwelijk tussen de twee viel dus niet bij iedereen in de smaak, waarbij ook het standsverschil nog een rol speelde. Maar de liefde was sterker dan de kwaadsprekerij, en dat is ook na hun dood nog te zien. De kolonel werd na zijn overlijden op het protestantse deel van de begraafplaats begraven, dat door een muur is gescheiden van het katholieke deel. Zijn weduwe wilde bij haar man begraven worden, maar kon als katholiek niet in ongewijde grond ter ruste worden gelegd. De oplossing: het  dubbelgraf, de grafstenen verbonden door een mannen- en vrouwenhand die over de muur in elkaar grijpen. Kan het romantischer?

Niet alle gemengde huwelijken werden gesloten op basis van liefde. Na de Belgische opstand van 1830 was België dringend op zoek naar een koning en de keus viel op de protestantse Leopold van Saksen-Coburg. Leopold aanvaardde het aanbod met (onder meer) de toezegging dat hij een katholieke prinses zou trouwen en zijn kinderen een katholieke opvoeding geven. In 1832 trouwt hij dan ook met Louise-Marie van Orléans, de dochter van Louis Philippe, koning der Fransen. Het is een puur politiek huwelijk: Leopold houdt eigenlijk nog steeds van zijn overleden eerste vrouw, prinses Charlotte van Wales, en de 20-jarige bruid stemt met veel tegenzin toe in het huwelijk met de meer dan twee keer zo oude koning, die er verschillende minnaressen op na hield.

Koningin Louise-Marie stierf in 1850, Leopold I in 1865. Hoewel het zijn wens was om in Engeland aan de zijde van zijn eerste vrouw bijgezet te worden, vond de regering dat de stichter van de dynastie zijn laatste rustplaats in België moest hebben. Zo werden Leopold en Louise-Marie de eersten van een reeks vorsten die bijgezet werden in de koninklijke crypte van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Laken.

De kerk is gebouwd na de dood van Louise-Marie, als gevolg van haar wens om in Laken begraven te worden. Pas in 1872 was de bouw zover gevorderd dat de resten van de eerste Belgische koning en koningin naar de voltooide crypte konden worden overgebracht. Maar omdat Leopold protestant was geweest, wilde de katholieke geestelijkheid niet dat zijn kist door de kerk werd gedragen. Daarom werd besloten in de achtermuur van de crypte een extra ingang te maken, speciaal voor de bijzetting van Leopold. Het protestantse geloof van de koning was ook de reden waarom de crypte achter in de kerk werd gebouwd, en niet onder het hoofdaltaar, zoals de gewoonte is. De kerkelijke overheid wilde niet dat een niet-katholiek onder een altaar zou rusten. De crypte ligt nu onder een koepel achter het koor. In het midden van de crypte staat het grote, witte grafmonument van Leopold I en Louise Marie.

Mooier (want ja, toch ook romantischer en lijkend op het “graf met de handjes”) vind ik zelf het grafmonument in het Franse Dreux van Ferdinand-Philippe van Orléans en Hélène van Mecklenburg-Schwerin. Ferdinand-Philippe was de oudste zoon van Louis-Philippe (dus de broer van Louise-Marie) en was (uiteraard) katholiek. Zijn huwelijk met de protestantse Hélène stuitte meteen al op verzet van de aartsbisschop van Parijs, die niet wilde dat de twee in de Notre Dame zouden trouwen. Het werd dus de kapel van het paleis in Fontainebleau. Hoewel ook dit huwelijk om politieke redenen gearrangeerd was, werd het wel een heel gelukkig huwelijk. Het was ook een kort huwelijk: de prins verongelukte en stierf op nog jongere leeftijd dan zijn zus: hij was pas 31.

In 1848 volgde Hélène met hun twee zonen haar schoonfamilie in ballingschap naar Engeland. Daar stierf ze in 1858, 16 jaar na haar echtgenoot, aan de griep. Vanwege haar protestantse geloof mocht Hélène niet worden begraven in de katholieke Chapelle Royale in Dreux. In plaats daarvan bouwde de familie een ruimte met een aparte ingang aan de kapel en werd een raam geopend tussen haar tombe en die van haar man. De beeltenis van de protestantse prinses rust bovenop haar tombe, en haar arm reikt door de opening naar het graf van haar geliefde katholieke prins. Een mooi en ontroerend detail, net als in Roermond. Verbonden in eeuwige liefde.
En die duivel? Geen spoor van te vinden. Of het moet zijn in de hypocrisie van de kerkelijke overheden en de roddelende vrome zielen.

7. feb, 2018

In mijn blog “Geschiedenis: een parallelle wereld”, dacht ik hardop na over reizen in de tijd en bezoeken aan parallelle werelden. “Met eigen ogen zien hoe een gotische kathedraal wordt gebouwd”, dat waren mijn woorden. Toen ik de tekst later nog eens doorlas, realiseerde ik me dat ik dan misschien de bouw van een kathedraal niet had kunnen aanschouwen, maar dat ik wel de bouw van een middeleeuws kasteel had gezien. En dat leek wel heel erg op een reis terug in de tijd.

In 2007 kampeerden we met ons gezin in St. Fargeau, in de buurt van de Morvan. We hadden er al eens eerder gestaan (je kunt er heerlijk zwemmen in het stuwmeer!) en het plaatselijke kasteel (zeer de moeite waard!) hadden we al gezien. Op zoek naar een uitje dat aantrekkelijk was voor zowel ons als de jongens (toen 11 en 9) stuitten we ineens op Guédelon. Daar zou de bouw van een echt middeleeuws kasteel bezig zijn, op de manier zoals ze dat in de middeleeuwen deden. Dat klonk interessant! En het was nog veel leuker en interessanter dan we dachten.

Het idee om een burcht te bouwen ontstond in 1995 tijdens een studie van het kasteel in Saint Fargeau. Hierdoor geïnspireerd verzamelde zich een groep mensen die een nieuwe burcht wilden gaan bouwen, met als voorbeeld naburige burchten uit het begin van de 13e eeuw. Het kasteel zou zo waarheidsgetrouw mogelijk gebouwd moeten worden, niet met hijskranen en beton, maar volgens de technieken en met de materialen en gereedschappen uit die tijd. Plannen werden gemaakt, een tijdslijn uitgezet en in 1997 startte de bouw.

Het bijzondere van de locatie is, dat hij niet alleen het kasteel in aanbouw omvat. Om het zo waarheidsgetrouw mogelijk te maken is er ook een nederzetting gebouwd, waar de steenhouwers, timmerlieden, smeden en andere ambachtslieden werken en wonen. Er is een werkplaats voor de steenhouwers, een timmerwerkplaats en een smidse, maar ook stallen voor werkpaarden en ander vee, een kippenhok en moestuinen. Want al die werkers moesten ook eten. Hele gezinnen werden op die manier ondergebracht in dit dorp. Ze lopen er rond, in middeleeuwse kledij. En al die werkplaatsen en andere ruimten kun je als bezoeker van Guédelon dus bekijken en bezoeken – en dan kun je ook het kasteel in aanbouw nog bezichtigen, inclusief de plekken waar men druk aan het werk is. Een middeleeuws openluchtmuseum. We vonden het alle vier ongelooflijk leuk en geweldig interessant!

Het is al weer meer dan 10 jaar geleden dat we de bouwplaats hebben bezocht. Op de zeer informatieve en ook in het Nederlands te lezen website, www.guedelon.fr, hebben we inmiddels gezien dat het werk al enorm gevorderd is. Rond 2025 moet het volgens de planning gereed zijn. De komende paar jaar is er dus nog veel te zien!

Een bezoekje aan het verleden is dus toch mogelijk. Alles in Guédelon werkt mee om de ervaring zo levensecht mogelijk te maken. Een aanrader voor kinderen en ouders, en voor iedereen die graag droomt over hoe het er in een ver verleden aan toeging.

10. aug, 2017

In mijn vakantieblog “Een behulpzame Fransman” beschreef ik onze speurtocht naar het “Paleis van de koningen van Majorca” in Perpignan. Dat bracht mij ertoe om eens wat te gaan grasduinen in de geschiedenis van Perpignan èn van dat koninkrijk Majorca.

Perpignan ligt in het Franse gedeelte van Catalonië en ontstond rond het begin van de 10e eeuw. De stad werd al snel de hoofdstad van het graafschap Roussillon. In de 12e eeuw kwam het gebied van het graafschap aan de graaf van Barcelona, en in de 13e eeuw zag de koning van Frankrijk formeel af van zijn aanspraken op Roussillon. Op dat moment was er al sprake van het koninkrijk Majorca.

Wij kennen Majorca (Mallorca) hoofdzakelijk als Spaans vakantieoord in de Middellandse Zee, in de zomermaanden (en daar buiten) voor een groot deel bevolkt door onze oosterburen. Toch had ik al eerder gezien dat het kennelijk ooit een zelfstandig koninkrijk was: in Collioure zagen wij het “Chateau Royal”, dat ook toegeschreven wordt aan de koningen van Majorca.

In 1229 werd het koninkrijk Majorca gesticht door Jaume I. Het koninkrijk bestond onder meer uit de Balearen (Majorca, Menorca, Ibiza en Formentera) en Roussillon, en reikte in het noorden tot Montpellier. Jaume maakte van Perpignan de hoofdstad van het grondgebied op het vasteland.  Deze periode wordt beschouwd als de Gouden Eeuw van Perpignan. De stad bloeide als centrum van lakenindustrie, leerbewerking en goudsmederij. Het paleis in het midden van de stad stamt ook uit die tijd. Jaume II begon met de bouw ervan  op de heuvel Puig del Rey.

In 1344, veertig jaar na de oplevering van het paleis, kwam er na 115 jaar een einde aan het koninkrijk Majorca.  Jaume III werd afgezet door Pedro IV van Aragon. Perpignan werd opnieuw een deel van het graafschap Barcelona, later bekend als het Vorstendom Catalonië.

De daaropvolgende periode werd gekenmerkt door getouwtrek door Frankrijk en Spanje (als rechtsopvolger van Aragon) die elkaar het gebied en de welvarende stad Perpignan betwistten. Dat ging uiteraard met het nodige geweld gepaard: de stad is er niet ongeschonden vanaf gekomen.
Perpignan bleef echter deel uitmaken van Aragon (later Spanje) en dat duurde een hele tijd.
In de 17e eeuw echter liet de Franse koning Lodewijk XIV, in zijn streven naar veilige en “natuurlijke” grenzen (waar onze voorouders in de Nederlanden later ook nog veel last van hebben gehad), zijn oog vallen op de Roussillon. In 1659, na de Frans-Spaanse Oorlog, die eindigde met het Verdrag van de Pyreneeën, werd Perpignan Frans grondgebied.

De nieuwe koning, Lodewijk de veertiende, begon meteen met het aanleggen van de nu nog bestaande vestingwerken rond het paleis. Maar verder zijn de invloeden van wat we nu de Catalaanse cultuur noemen, die in de tijd van de graven van Barcelona en de koningen van Majorca ontstond, nog overal in Perpignan te zien. Ook nu heeft Perpignan meer van een Catalaanse stad dan van een Franse. De gebouwen in het oude centrum hebben een kenmerkende architectuur, die doet denken aan de oude wijken van Barcelona. De straatnamen zijn Catalaans en overal zie je de rode en gele strepen van de Catalaanse vlag. Het Majorca van nu is een eiland in zee, maar de glorie van het oude koninkrijk Majorca is nog steeds zichtbaar in Perpignan.

P.S. Foto’s van Perpignan en het paleis zijn hier te zien