3. mei, 2019

De Heerlijkheid Almelo

Almelo, mijn geboorteplaats, staat niet bepaald bekend als een bruisende stad (denk aan het stoplicht van Herman Finkers. Ten onrechte, denk ik en velen met mij: er is altijd (zeker voor een stad van deze omvang) altijd veel te doen en ook veel te zien geweest. Het uitgaansleven wordt al jaren gestimuleerd door de jonge (en oudere) bewoners van Almelo zelf en van de vele kleinere plaatsen in de omgeving, waarvoor Almelo al heel lang een centrumfunctie vervult. Een echt mooi, groot museum ontbreekt helaas, maar er zijn wel een paar kleine juweeltjes op dat gebied, zoals het Stadsmuseum Almelo in het 18e-eeuwse Rectorshuis (de vroegere Latijnse school) en het Wevershuisje. Wandel je door de oude Grotestraat, dan kun je prachtige 18e en 19e-eeuwse gevels zien. De Grote Kerk aan het Kerkplein is een verrassende mix van gotiek en barok, met een Beiers accent door de bijzondere torenspits (zie mijn blog “Een exoot in Almelo”).

Passeer je de kerk, dan loop je via de Herengracht met zijn piepkleine oude huisjes ineens in de groene oase van de Gravenallee, en zie je het Huis Almelo, het oude kasteel van de Heren van Almelo, door de bomen heen schemeren. En  dat kasteel  heeft met de rest van dit verhaal te maken. Ik was laatst “Een beknopte geschiedenis van Nederland”, van historicus James Kennedy aan het lezen. Daarin staat een politieke kaart van de Nederlanden aan het begin van de veertiende eeuw. De kaart geeft politieke eenheden weer als het graafschap Holland/Zeeland, Gelre en het Sticht Utrecht, verdeeld in Nedersticht (de huidige provincie Utrecht) en Oversticht (Overijssel). En daar, in het Oversticht, ligt een kleine, anders gekleurde eenheid, waarin één stad wordt weergegeven: Almelo. Deze politieke eenheid was de Heerlijkheid Almelo.

Een heerlijkheid is een bestuursvorm voortkomend uit de feodale onderverdeling van het overheidsgezag in de middeleeuwen, en werd bestuurd door een heer (of vrouwe), die fungeerde als leenman van een hogere edelman. Almelo was tot 1795 een heerlijkheid en omvatte de gebieden van de latere gemeenten Stad Almelo, Ambt Almelo (samen sinds 1 januari 1914 gemeente Almelo) en Vriezenveen.

Huis Almelo werd voor het eerst in 1236 genoemd, maar bestond toen waarschijnlijk al zo’n 100 jaar. De rondom het kasteel gelegen nederzetting had in ieder geval in 1420 al stadsrechten. De stad had een gracht, maar geen muur. Tot 1528, toen Karel V een aantal reorganisaties doorvoerde, maakten de bisschoppen van Utrecht de dienst uit in het Oversticht. In de loop der eeuwen hadden de heren van Almelo zich echter een min of meer onafhankelijke positie ten opzichte van de Utrechtse bisschoppen weten te verwerven.

De eerste heren van Almelo duiken op in de 12e eeuw. Toen Arnold IV van Almelo rond 1365 overleed, stierf het geslacht Van Almelo in mannelijke lijn uit. Door het huwelijk van de laatste erfdochter met Evert van Heeckeren kwam de heerlijkheid in het geslacht van Heeckeren.
Evert van Heeckeren liet de eerste Almelose munten slaan. Nadat Otto van Heeckeren in 1462 het kasteel Rechteren bij Dalfsen had verkregen, noemde hij zich van Rechteren.

Johan van Rechteren ging in 1620 als eerste heer van Almelo over tot het protestantisme. In 1674 kwam de heerlijkheid in handen van zijn neef Adolf Hendrik. Zijn echtgenote was gravin Sophia Juliana van Castell-Rüdenhausen. Niet alleen gaf zij de Grote Kerk een Beierse torenspits, maar door haar kreeg Adolf ook goede relaties met talloze Duitse vorstenhoven. Dat leidde tot zijn afvaardiging door de Staten-Generaal als gezant naar de keurvorst van Mainz en als onderhandelaar naar het hof van keizer Leopold I in Wenen, en uiteindelijk tot zijn verheffing door de keizer tot rijksgraaf van het Heilige Roomse Rijk. Kortom: Adolf was geen kleine jongen in de Republiek.
In Almelo zelf was hij niet altijd even populair. Weliswaar bouwde hij in 1695 een nieuw raadhuis, maar hij bracht daar, zeer tegen de zin van de Almelose burgerij, naast het stadswapen zijn familiewapen op aan. De burgerij moest er even op wachten, maar kreeg uiteindelijk haar zin: tijdens de Bataafse Revolutie in 1795, 100 jaar later, werd het wapen van de familie van Rechteren alsnog van de gevel verwijderd.

Op dat moment was er overigens geen heer van Almelo meer, maar was er (sinds 1771) een vrouwe: gravin Sofia, de enige dochter van graaf Philip Zeger. Na een lange opvolgingsstrijd (niet alle familieleden accepteerden een vrouw als erfgename) werd zij in 1786 erkend als vrouwe van Almelo. Niet dat zij er lang plezier van had. De gravin had het tijdens haar bewind veelvuldig aan de stok met (alweer) de patriottisch gezinde Almelose burgerij. Uiteindelijk werd, na de inval in Nederland door de Fransen in 1795, de heerlijkheid Almelo, na zo’n 600 jaar bestaan te hebben, ontbonden.

Zoals ik in het begin al zei: Huis Almelo staat er nog steeds. Huis en tuin liggen er prachtig bij en vormen een sieraad voor de stad. De afstammelingen van de laatste heren van Almelo, de graven van Rechteren Limpurg, wonen er nog steeds. Macht hebben ze niet meer, maar wel een lange en interessante familiegeschiedenis om op terug te kijken.