Blog MensenHuizenBuurten

13. feb, 2014

“De thermostaat zit midden op de kamermuur – jammer, dat mooie schilderij kan hier dus niet hangen.”
“Ha, in die hoek van de kinderslaapkamer kunnen we het bed zetten! O nee, het past net niet. En in die andere hoek staat het tegen de verwarming!”
“Wat onhandig dat het raam deze kant op draait, en niet de andere – zo kunnen we er nauwelijks bij!”
Het zijn maar een paar voorbeelden van zaken die mensen  regelmatig tegenkomen in hun net opgeleverde nieuwbouwwoning.
De VAC weet er alles van – hoe vaak hebben ze er al niet iets over gezegd?

Ik leerde de VAC pas serieus kennen toen ik al jaren in corporatieland werkte. Ik was wel eens een advies van ze tegengekomen in het kader van een nieuwbouw- of renovatieproject waarbij ik betrokken was. Maar in mijn nieuwe functie, op een nieuwe standplaats, bleek ik met enige regelmaat overleg met ze te moeten voeren.  En raakte ik al snel onder de indruk van hun ervaring en deskundigheid.

Na enkele overleggen en een paar bezoekjes aan op te leveren projecten, wist ik dat de mensen van de VAC veel wisten van een heleboel dingen. “Ja, de VAC, dat is het Vrouwen Advies Centrum en die kijken of de keuken wel handig is ingericht en zo”, dat heeft iemand mij wel eens letterlijk verteld. De waarheid is niet alleen genuanceerder, maar zelfs totaal anders.

Ten eerste heet het allang geen Vrouwen Advies Centrum meer en bestaat het ledenbestand inmiddels voor een kwart uit mannen.
Ten tweede kijken ze veel verder dan de keuken. Ze zijn gemotiveerd en goed getraind. Ze lezen vlot plattegronden, kunnen inhoudelijk adviseren over  installatietekeningen, weten alles van wat moet en mag en zijn ook in staat om daarbinnen prioriteiten te stellen.

Ze reageren snel en kunnen, als ze er tijdig bij zijn, waardevolle adviezen geven over het ontwerp, juist omdat ze er nèt wat anders tegenaan kijken dan de doorsnee architect, ontwikkelaar of corporatiemedewerker.

Corporaties en andere ontwikkelaars: vraag de VAC om advies! Je vaart er wel bij. Ik maak graag reclame voor ze. Neem een kijkje op www.vacpuntwonen.nl.

28. nov, 2013

“Corporaties tonen effect van investeren in leefbaarheid” lees ik op www.binnenlandsbestuur.nl. Na de introductie van de Vogelaar- en/of krachtwijken kwam de kritiek al snel los. Investeren in de wijken had geen zin, leefbaarheidsmaatregelen waren onzin. Cynisch werd de “buurtbarbecue” gebruikt om de minister (maar daarmee ook gemeenten, corporaties en andere betrokkenen) belachelijk te maken. Door de media werd dit natuurlijk meteen opgepikt.

Volgens de corporaties heeft investeren in leefbare wijken wel degelijk een positief effect op wijken.
Als voorbeeld wordt genoemd het opknappen van oude woningen waardoor ondernemers zich weer willen vestigen in een wijk. Dat ligt (denk ik) iets genuanceerder: alleen met opknappen ben je er niet. Wat er gebeurt, is dat winkeliers en andere ondernemers wegtrekken uit wijken en buurten waar alleen mensen met lage inkomens wonen. Aan de bewoners valt weinig te verdienen, en met de uitstraling van de buurt verdwijnt ook de uitstraling van de winkel. De bekende negatieve spiraal. Die is echter ook om te draaien, zoals we in verschillende buurten al hebben kunnen zien. Door middel van renovaties woningen naar de duurdere huur- en de koopsector verschuiven zorgt voor meer koopkracht en mooiere straatwanden. Gerichte en zorgvuldige sloop-/nieuwbouwingrepen kunnen daar nog een schepje bovenop doen. De corporaties kunnen laten zien dat het werkt.

Opknappen, renoveren, sloop, nieuwbouw: dat is alleen investeren in stenen. Indirect kan dat invloed op de leefbaarheid hebben. Maar die buurtbarbecue? En andere, niet op het vastgoed gerichte leefbaarheidsprojecten?
In het eerdergenoemde artikel wordt gemeld dat Ymere gestopt is met het subsidiëren van judolessen in een wijk. Het effect was niet heel groot en droeg in onvoldoende mate bij aan de doelstelling. Ik kan me daar iets bij voorstellen. De maatregel is niet erg “zichtbaar” en de doelgroep is wellicht te klein. Geldt dat voor al dit soort projecten?
De sociale cohesie is in sommige wijken en buurten uitermate gering. Allochtoon en autochtoon staan soms tegenover elkaar, en leven op zijn best langs elkaar heen. Ouderen vereenzamen en kennen niemand meer in de buurt. En na het “investeren in stenen” worden de nieuwe bewoners lang niet altijd met open armen ontvangen door de oorspronkelijke bevolking. Sociale cohesie is onderdeel van leefbaarheid. De mensen, die bij jou in de straat of de buurt wonen, kennen en groeten. Een praatje maken. Samen iets leuks ondernemen, waarbij je weer andere bewoners betrekt. Ook de winkelier kan daar een rol in spelen. Dat is leefbaarheid – althans een belangrijk bestanddeel ervan

Ik woon zelf in een buurt met koopwoningen, waar de afgelopen jaren veel jonge gezinnen zijn komen wonen. Een groep bewoners organiseert al jaren een buurtfeest na afloop van de zomervakantie. Er wordt iets voor de kinderen georganiseerd, iedereen neemt hapjes en drankjes mee en tot laat in de avond is het heel gezellig. Je leert de nieuwe buren kennen en andersom. Er ontstaat een buurtnetwerk, dat ook de rest van het jaar functioneert.
In sommige wijken en buurten ontbreekt zo’n netwerk. Er worden vanuit de bewoners wel eens initiatieven ondernomen, maar die lopen vaak op niets uit. Wat is er op tegen dat corporaties dit soort initiatieven faciliteren? Wij weten dat het zich vaak dubbel en dwars terugbetaalt.
Leve de buurtbarbecue!